GEHOORZAMEN MET ONS HART 

 

De opdracht is iets te schrijven naar aanleiding van het vijfde gebod, over gezag. Dat hoeft niet zo moeilijk te zijn: schrijven over hoe gezag in de wereld al minder geaccepteerd wordt en daarvan voorbeelden noemen. Dan is het ook niet zo moeilijk te laten zien dat dit niet volgens Gods wil is zoals we die in de Bijbel vinden. Ik wil het mijzelf moeilijker maken, het ons allemaal moeilijker maken. Hoe staan wij met ons hart tegenover het gezag en de gezagsdragers, als die dingen van ons vragen waar wij het niet mee eens zijn? Dan kunnen zaken  heel erg op scherp komen te staan. Hoe reageren wij dan daarop? Is dan een gedwongen gehoorzaamheid goed genoeg?

 

Twee voorbeelden

Het is 1989 of 1990. Zelf ben ik dan predikant van de GKV op Urk. Met veel plezier. Een groot deel van de mannen was toen werkzaam in de visserij. Het is een onrustige tijd met de quota die er zijn. Als ik het me goed herinner is het eind oktober. De kranten staan vol artikelen over de maatregelen die de regering heeft genomen. Er mag dat jaar geen kabeljauw meer aan land gebracht worden. De kranten staan vol met berichten over de protesten van de vissers. Ook wordt de gedachte breed geopperd dat de vissers met deze maatregelen wel een loopje zullen nemen. Daar moet nog iets bij gezegd worden. Het kan zijn dat een kotter op maandag de zee op gaat, met de bedoeling om op andere vis dan kabeljauw te vissen. Het net gaat overboord. Na een tijd worden de netten opgehaald. Een flinke vangst. Een trek met daarin voor wel 30.000 gulden kabeljauw. Dat ligt aan boord. Wat nu? Daarbij moet je bedenken dat de kabeljauw die nu boven is gehaald weer in zee gegooid kan worden. Dan is er een goede kans dat die weer wegzwemt. Toch gaat de kabeljauw als rondvis na een tijdje dood. Teruggooien in de zee helpt niet voor het behoud van de kabeljauwstand op dat ogenblik.

Wat doe je met de vangst? Probeer je het toch maar via slinkse wegen aan land te krijgen? Het is toch te gek dat je die vis niet mag houden terwijl die toch sterft!

Het is de zaterdag voor de maandag dat de vloot weer uitvaart. Prof Kamphuis spreekt op Urk in verband met de herdenking van de Vrijmaking op Urk.

In de pauze komt hij naar mij toe en zegt: “Rob, waar moet je morgen over preken?”

“Professor, morgenochtend over zondag 39, het vijfde gebod.”

Zijn ogen worden groot. Hij zegt: “Rob, jongen je moet het wel zeggen hè!”

We begrepen elkaar. De preek was klaar. Die lag op de studeerkamer. De volgende morgen ging ik van huis naar de kerk. Wat een onrust, wat een zenuwen. Mijn vrouw en ik hadden al gezegd dat na de dienst een bepaalde ouderling wel het woord zou nemen. Waarschijnlijk heel erg kritisch.

Het eerste punt van de preek ging over de gehoorzaamheid aan de ouders. Dat was niet zo moeilijk. Maar toen punt twee. Over de gehoorzaamheid aan de overheid. Meteen maar de koe bij de horens gevat: “Wat ga je doen als je deze week voor 30.000 gulden kabeljauw in de netten hebt?” Ik denk dat het nooit zo angstig en beklemmend stil was in een kerkdienst waarin ik ben voorgegaan. Het Hoge Woord moest eruit: “Dan hebben we als kinderen van God de vis overboord te zetten. Al begrijp ik jullie verzet en het oneerlijke ervan.” Here, wat zal de reactie zijn?

We liepen naar boven naar de kerkenraadskamer. Stil, heel stil. Je voelde de spanning. We stonden om de tafel. De ouderling die we verwacht hadden nam het woord. Hij zei: “Dominee, we hadden liever gehad dat u iets anders gezegd had. Maar u hebt niet anders dan het Woord van God gesproken.” De broeders gingen stil met dat woord van God in hun hart naar huis. Hoe krijg je vrede met dat Woord als het je zo diep raakt en dingen zo oneerlijk voelen.?

 

Het tweede voorbeeld is wat we nu in deze corona-crisis meemaken. Je ziet al meer verschillende meningen komen. Ook al meer verzet tegen de maatregelen die er zijn. Juist dan wordt het voor velen al moeilijker om de maatregelen van de overheid te gehoorzamen. Wanneer het wel gedaan wordt, is er vaak toch een groot ongenoegen dat zich uit. Hoe ga je daarmee om? Is het ongenoegen in jou genoeg om het vuurtje van niet willen gehoorzamen op te stoken? Om er ook zo over te praten met anderen?

 

Niet makkelijk

Juist over het moeilijke dat deze twee voorbeelden duidelijk maken, lezen we ook in Gods eigen woord. Vooral in twee gedeelten die over de gehoorzaamheid van slaven aan hun heer gaan. We lezen daarover in Efeze 6 en Kolossenzen 3. We lezen in deze gedeelten:

 

“Slaven, wees, evenals aan Christus, gehoorzaam aan uw heer naar het vlees, met vrees en beven, oprecht van hart, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus; doe zo van harte de wil van God, en dien met bereidwilligheid de Heere en niet de mensen. U weet immers dat wat ieder aan goeds gedaan heeft, hij dat van de Heere terug zal krijgen, hetzij slaaf, hetzij vrije.” Efeze 6:5-8

 

“Slaven, wees in alles uw aardse heren gehoorzaam, niet met ogendienst als om mensen te behagen, maar oprecht van hart, in het vrezen van God. En alles wat u doet, doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen, in de wetenschap dat u van de Heere als vergelding de erfenis zult ontvangen, want u dient de Heere Christus.” Kol 3:22-24

Juist de gelovige slaven worden opgeroepen om hun heren in alles gehoorzaam te zijn. Juist zij die door Jezus Christus bevrijd zijn, worden opgeroepen, als ze slaaf zijn, hun heer echt in alles ter wille te zijn. We moeten hierbij bedenken dat een slaaf in de tijd van Paulus vaak niet te vergelijken is met het slaaf zijn in de 17e tot de 19e eeuw. Vaak werden de slaven in Paulus tijd veel beter behandeld. Toch waren ze zonder rechten. Er waren zeker ook slechte bazen. Ook die moesten gehoorzaamd worden; zoals de Geest in de tijd van keizer Nero door Paulus ook oproept de overheid gehoorzaam te zijn. Daarbij zijn in ieder geval vijf punten heel belangrijk:

a.  De HERE vraagt van ons dat we de door Hem boven ons aangestelde gezagsdragers met vrees en beven benaderen. Je kunt dat vertalen naar met eerbied en ontzag. We moeten in onze houding tegenover de gezagsdragers eerbied en respect tonen. Dat moet onze starthouding zijn. De grote vraag is daarbij of het dan alleen om onze uiterlijke houding gaat.

b.  Zo komen we bij het volgende, voor ons vaak het moeilijkste punt. Je bent het met de overheid, de gezagsdragers, de ambtsdragers of jouw ouders oneens. Of je bent het niet eens met je werkgever. Toch vragen die van jou om bepaalde dingen wel of juist niet te doen. Gedraag je je dan uiterlijk als iemand die loyaal is om jouw positie te redden? Of komt die gehoorzaamheid toch vanuit je hart? Daarover lezen we in Efeze 6 en Kolossenzen 3: “…oprecht van hart, niet met ogendienst, als mensenbehagers, maar als slaven van Christus”. “…niet met ogendienst als om mensen te behagen, maar oprecht van hart”. Is het alleen omdat je niet anders kunt, of is jouw hart bij deze gehoorzaamheid betrokken? Het is duidelijk dat de HERE van ons in zo’n situatie meer vraagt dan alleen maar een uiterlijke gehoorzaamheid.

c.  Wat moet nu de innerlijke drijfveer om te gehoorzamen zijn als jij een andere mening hebt? Het gaat hier dan niet om dingen die van jou gevraagd worden, waarmee je ongehoorzaam aan God zou zijn. Ook dat komt in de bij het vorige punt genoemde hoofdstukken duidelijk naar voren: “…maar als slaven van Christus; doe zo van harte de wil van God, en dien met bereidwilligheid de Heere en niet de mensen.” “…in het vrezen van God. En alles wat u doet, doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen.”

Het gaat hierbij dus om de diepe eerbied en liefde voor de HERE. Hij is het die van ons vraagt om de mensen die boven ons gesteld zijn te gehoorzamen. Het raakt het erkennen en in liefde gehoorzamen van de HERE. Wie bij de HERE wil horen en in liefde Zijn gezag erkent, gehoorzaamt hen die boven hem/haar staan vanuit de band met Christus. Ook als jezelf andere gedachten en wensen hebt. Dat betekent ook dat mijn mening en de mening van anderen, die ons meer aanspreken in ons leven, niet meer gezag hebben dan die van de mensen die in bepaalde verbanden boven ons gesteld zijn. De starthouding tegenover de gezagsdragers zal juist bij een christen positief zijn. Zelfs als bijvoorbeeld de overheid dingen doet die we heel erg tekort vinden schieten of zelfs verkeerd. Zolang de HERE hen over ons stelt, hebben we op de punten, waar we niet gedwongen worden tegen Gods wil in te gaan, van harte te gehoorzamen. Dat is moeilijk en vraagt ook om veel gebed! Dat vraagt juist om de intieme band van liefde met de HERE.

De gelovigen zijn slaven van Christus. Zij zijn zijn gelukkig eigendom. Juist omdat je tot je redding en verwondering slaaf van Christus geworden bent, wil je de gezagsdragers gehoorzamen die door Christus boven jou gesteld zijn. Wil je dat gehoorzaam-zijn als goed leren zien. De door Christus bewerkte verzoening leert ons om ons te verzoenen met dingen die wij anders zouden willen. Leert dan vanuit die verzoening de door God gegeven plaats in te nemen. Daaruit volgt het volgende punt.

d.   Juist die innerlijke bereidheid om zo gehoorzaam te zijn, is het wat de HERE van ons vraagt en door Zijn Geest wil geven. Dan komt er de echte bereidheid om hartelijk gehoorzaam te zijn. Daarover lezen we o.a. dit: “…doe zo van harte de wil van God, en dien met bereidwilligheid de Heere en niet de mensen” . “…doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen.”

Hoe kun je van harte gehoorzamen als je het er zelf niet mee eens bent? Dat kan als je ziet dat de HERE die in zijn ongelooflijke liefde tot je gekomen is dit van je vraagt. Wanneer je ziet dat dit in zijn ogen goed is, is het ook echt goed. De grens is wat ik al eerder noemde: dat van jou gevraagd zou worden tegen Gods wil in te gaan. Dan moet je de gevraagde gehoorzaamheid weigeren. Dat dit de grens is, lezen we heel duidelijk in de Bijbel. Bijvoorbeeld in Handelingen 4: “Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.”

Ik begrijp best dat als je dit leest, de gedachte naar boven kan komen wat we dan moeten denken van het recht van opstand? Daarover is onder gereformeerden ook altijd weer gesproken. Wel altijd met grote voorzichtigheid en ingetogenheid. Hier is niet de ruimte om daar uitgebreid op in te gaan. Ik geef het weer in een paar zinnen die professor Douma na het bestuderen van het recht van opstand schreef: “Dit alles samenvattend kom ik tot drie voorwaarden waaraan voldaan moet worden om te kunnen spreken van het recht van opstand:

  1. Elementaire rechten die aan burgers toekomen, worden door de overheid bruut en aanhoudend geschonden.
  2. Personen die geacht mogen worden het volk te vertegenwoordigen, geven leiding aan de opstand.
  3. De kans van slagen van zo’n opstand moet groot zijn, zodat eventueel bloedvergieten van beperkte omvang blijft. 1.

e.  Een laatste element dat ik vanuit Efeze 6 en Kolossenzen 3 wil noemen is wat daar zo omschreven wordt: “U weet immers dat wat ieder aan goeds gedaan heeft, hij dat van de Heere terug zal krijgen, hetzij slaaf, hetzij vrije.” “…in de wetenschap dat u van de Heere als vergelding de erfenis zult ontvangen, want u dient de Heere Christus”.

De Geest is het die ons ook leert op Christus te vertrouwen. Om ook te kunnen gehoorzamen als jij het niet eerlijk en billijk vindt. Dan kunnen we als christenen nog vooruitkijken. We hoeven dan de moed niet te verliezen en niet bitter te worden. Het uitzicht is namelijk, dat de burgers van het Koninkrijk van God o.a. voor hun in liefde gehoorzamen aan mensen, uit genade de grootste beloning zullen krijgen die er is. De beloning die door Jezus Christus verdiend is: een leven waaruit alle onrecht verdwenen is, waar leven niets anders dan heel mooi is. Leven in gehoorzaamheid aan Christus op de nieuwe aarde, en ook al in de hemel, is zo goed. Dat krijgen zij die nu ook in moeilijke omstandigheden gehoorzaam zijn aan mensen die over hen gesteld zijn. Dat zorgt dat er ruimte in ons hart komt om uit liefde te gehoorzamen, ook als het moeilijk is. Om dat steeds weer te willen leren.

 

Wanneer we ook op dit punt zo volgens Gods wil leven zal dat de vrede in de gezinnen, in de gemeente en in de samenleving bevorderen. Dat geneest ook ons hart wanneer daarin altijd weer opstand en onrust is. Dat hart mogen we tot rust brengen door ons op Gods wil te concentreren en daarmee op Christus als onze Redder en Heer.

 

1. J. Douma De tien geboden II Kampen 1986 p. 131. Zie voor een uitgebreide behandeling van het recht van opstand en burgerlijke ongehoorzaamheid: J. Douma Politieke verantwoordelijkheid  Kampen 1984: p. 176-203

 

Ds. Rob Visser