DE WET NOG VAN WAARDE VOOR WIE HET EVANGELIE GELOVEN?

 

Het thema wet en evangelie is heel erg breed. Ik heb dan ook nogal geworsteld met wat ik op de studiedag naar voren zou brengen. Het belang van dit thema is groot. Dit keer wil ik me concentreren op de verhouding tussen wet en evangelie met daarbij het aandachtspunt of en hoe wetten in het Oude Testament  nog van waarde zijn voor de kerk na Christus’ werk op aarde.

 

Het eerste wat ik wil doen is bepaalde posities laten zien die worden ingenomen. Daarna wil ik uitwerken hoe we volgens mij met de wet en de wetten in het Oude Testament nu hebben om te gaan. Wat ze voor onze ethische bezinning als christelijke kerken betekenen

 

 Vier posities

 

  1. Lutheraanse beschouwing     

 

 De Lutherse positie kenmerkt zich over het algemeen door een nogal sterk onderscheid tussen wet en evangelie.  Ze moeten apart behandeld worden en mogen niet vermengd raken.

Het gaat er bij de wet vooral om:

  1. Om uiterlijke gehoorzaamheid te regelen.
  2. Om mensen tot de erkenning van hun zonden te brengen. Zo worden mensen voorbereid op de genade die door het evangelie ontvangen wordt. Er blijft een scheiding tussen wet en evangelie.
  3. Voor de gelovigen geldt de wet als de norm voor het christelijke leven. Dan wordt met wet bedoeld de wil van God zoals die in de 10 geboden tot ons komt. Daarbij spelen dan ook andere wetten wel een rol maar voor zover die de natuurwet weergeven.

Bij de Lutherse positie is van groot belang dat je niet door de wet en door goede werken iets bij God kunt verdienen. Het gaat om Christus en niet om de wet. Bij Luther vind je zelfs uitspraken die zeggen dat de wetten voor Israël gegeven niet meer zijn dan die we bij andere volken zien. Je kunt voor eigen volk bepaalde wetten overnemen vanuit het Oude Testament zoals je dat ook van andere volken doet als je dat goede regels vindt.[1] Hierbij wordt in de Lutherse traditie een sterk beroep gedaan op teksten als Johannes 1:17 en Romeinen 6:4. In deze theologische traditie wordt vaak een scherp onderscheid gemaakt tussen wet en evangelie.

 

  1. De positie van het dispensationalisme

 

 Een duidelijk voorbeeld van het denken de betekenis van Gods wet zoals in het Oude Testament gegeven vinden we in Duffield, Van Cleave Woord en Geest[2]. We lezen daar dit:  “Door de offerdienst, door het priesterschap en door de tabernakel wijst de wet vooruit naar het kruis van Christus als de enige weg tot behoud en de enige toegang tot God. Zodra Christus kwam en in geloof als Heer en Heiland ontvangen werd, had de wet afgedaan als middel om het heil te verkrijgen. De ongelovigen, dat wil zeggen zij die niet tot Christus komen om door Hem te worden behouden, worden echter nog steeds geoordeeld op grond van de wet. De Schrift leert dat de gelovige door de dood van Christus niet alleen wordt verlost van de vloek der wet (dat is de straf die de wet hem oplegt0, maar ook van de wet zelf.  ‘Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek  der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.’ (Gal 3:13) ‘Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. (Rom 7:4). ‘Doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft’ (Ef 2:15).  ‘Door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.’9 Kol 2:14).

Deze verlossing van de wet heeft niet alleen betrekking op de ceremoniële wet, maar ook op de morele wet (de Tien Geboden).  Uit 2 Korinthiërs 3:7-11 blijkt duidelijk, dat de wet, die ‘met letters op stenen was gegrift, voorbij is. Het is wel zeker, dat Paulus het hier heeft over de Tien geboden.   …..  Zo mag de gelovige weten dat hij  ‘niet onder de wet, maar onder de genade is’  (Rom 6:14).  ‘Indien  gij u echter door de Geest laat leiden, dan zijt gij niet onder de wet’ (Gal 5:18).”         

 

 We vinden deze positie terug  bij veel evangelische en charismatische kerken en bewegingen. Met grote invloed in onze tijd in meerdere kerken met de naam gereformeerd.   

Het echte dispensatiolisme  zoals het door Darby,  Scofield en hun leerlingen[3] geleerd wordt,  maakt de scheiding nog harder door de wet bij Israël een plaats te geven en het evangelie bij de kerk. Het zou niet om de wet gaan zoals de HERE die al in het Oude Testament gegeven heeft maar om de wet van Christus.

Velen die deze positie met allerlei variaties innemen, waarschuwen heel indringend tegen wetticisme. Ze geven aan dat er met Christus echt een andere tijd is aangebroken. Ze vragen dan ook vooral aandacht voor teksten die wijzen op het voorbij zijn van de wet.

 

  1. De positie van de theonomie

 

Dit is een beweging die minder bekend is in ons land. Het is wel zo dat Douma er van melding maakt en daarover in Grondslagen goede opmerkingen maakt[4]. Het is een beweging die in Amerika en de verdere Engelstalige wereld wel veel aantrekkingskracht heeft. Het is een beweging van orthodoxe christenen die vaak ook gereformeerd zijn. De claim dat Christus van alles zegt dat het van Hem is, lijkt bij hen in veilige handen. Zij pleiten er voor om behalve het ceremonoële alles aan wetten en voorschriften in het Oude Testament  als nog geldig voor vandaag te verklaren. Ze streven naar een staat die ingericht is volgens de regels in het Oude Testament. De meest bekende namen die hierbij horen zijn Rushdoony, Bahnsen en Norton[5] .

We hebben hier te maken met een theocratische visie die alle wetten en regels in het Oude Testament behalve die nadrukkelijk in het Nieuwe Testament zijn afgeschaft in praktijk wil brengen. Die er ook van overtuigd is dat dit onze roeping is.    Er bestaat wel verschil over de concrete manier waarop dat moet gebeuren.

 

  1. Positie Westminster Confessie en de Nederlandse Geloofsbelijdenis

 

Het is goed om voor de positie van de gereformeerden kennis te nemen van wat de Westminster  Confessie en de Nederlandse Geloofsbelijdenis  hierover zeggen.

 

Ik geef hier een deel van artikel 19 van de Westminster Confessie weer en Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis

19.II:  “Na de val bleef deze wet een volmaakt voorschrift voor rechtvaardigheid. Hij werd als zodanig in de Tien Geboden door God op de berg Sinai gegeven en op twee stenen tafels geschreven. De eerste vier geboden omvatten onze plicht ten opzichte van god en de overige zes onze plicht ten opzichte van de mens

 

19.III  het heeft God behaagd om naast deze wet, die gewoonlijk de zedelijke wet wordt genoemd, aan het volk van Israël, als een minderjarige kerk, de ceremoniële wetten te geven. Deze wetten bevatten verschillende symbolische inzettingen, welke gedeeltelijk betrekking hadden op de eredienst, en een voorafschaduwing waren van Christus, Zijn genadegaven, werken, lijden en weldaden. Deze ceremoniële wetten bevatten daarnaast ook verschillende voorschriften voor  zedelijke plichten, maar zij zijn allemaal onder het Nieuwe Testament  afgeschaft.

 

19.IV  Hij heeft het volk Israël, als staatkundige gemeenschap, ook allerlei wetten gegeven die echter tegelijk met de staatsvorm van het volk vervallen zijn. Daarom zijn deze nu niet langer voor anderen verplicht, behalve datgene wat de algemene rechtvaardigheid die daarin te vinden is, vereist.

 

19.V  De zedelijke wet verplicht iedereen, zowel degenen die gerechtvaardigd zijn als alle anderen, om hem  altijd te gehoorzamen. Dit dient niet alleen te gebeuren vanwege de inhoud van de wet, maar ook om het gezag van de God de Schepper, Die de wet gegeven heeft, te eerbiedigen. Ook heeft Christus in het Evangelie  deze verplichting op geen enkele wijze opgeheven, maar Hij heeft deze veeleer versterkt.”[6] 

 

Artikel 25 Nederlandse Geloofsbelijdenis: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zijn hun vervulling hebben.

Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer.”

 

Ontbinden en vervullen

 

Ik vraag hier aandacht voor wat we in Mattheus 5:17:  “Μὴ νομίσητε ὅτι ἦλθον καταλῦσαι τὸν νόμον ἢ τοὺς προφήτας· οὐκ ἦλθον καταλῦσαι ἀλλὰ πληρῶσαι.”

 

  1. Het eerste waar ik aandacht voor vraag is de opvallende manier waarop de Here Jezus hier formuleert. We kennen de uitdrukking wet en  de profeten. We weten dat de Joden met deze combinatie van woorden het hele Oude Testament aanduiden. Wanneer je Matt 5:17 leest,  ben je geneigd om te zeggen dat de Here Jezus niet gekomen is om de wet en de profeten te ontbinden. Toch is dat niet wat er staat. De Here Jezus wijst er niet alleen maar op dat Hij gekomen is om het Oude Testament te vervullen.  We lezen hier dat de Here Jezus hier spreekt over de wet of  de profeten.

 

Hij komt niet om de wet te ontbinden. Hij komt niet om het volk te leren dat de tijd van de Thora, van de eerste vijf boeken van het Oude Testament voorbij is. Hij zal in Zijn eigen leven de liefde voor en gehoorzaamheid aan Gods  wet laten zien. De wet krijgt in Hem haar volle betekenis. De geschiedenis die in de wet  verteld wordt, krijgt in Hem haar volle ontplooiing. Het is niet zo dat alleen de Thora belangrijk is. De rabbijnen hadden de neiging om de eerste vijf boeken boven de rest van het Oude Testament te verheffen. Velen van hen leerden dat de Wet en de Profeten Gods Woord zijn. Toch had volgens hen alleen de Wet eeuwige geldigheid. De Sadduceeën verhieven de Thora zelfs zo dat de rest van het Oude Testament verwaarloosd werd. De Samaritanen hebben alleen de eerste vijf boeken van het Oude Testament geldig verklaard en verwierpen de rest zoals Gods volk dat in de tijd van de Here Jezus had. De Zoon van God maakt juist met het woordje of duidelijk dat de rest van het Oude Testament niet minder gezag heeft. Dat het geen woorden van God van minder waarde zijn. Hij is ook gekomen  om  alles wat na Deuteronomium komt als volle Woord van God te vervullen. Om dat te laten staan en niet te ontbinden. De Here Jezus laat in het woordje  of  duidelijk zien waar Hij in de theologische wereld van toen stond. Hij maakt duidelijk dat het hele Oude Testament voor Hem het volle gezag van Woord van God heeft.  

 

  1. Waarop wijst het woord ontbinden (καταλῦσαι)? De Joden gebruikten dit woord in hun onderwijs om aan ter duiden  dat iets niet meer geldig was. Je ziet later dat de Here Jezus de woorden binden en ontbinden zo ook in Matt 16:19 gebruikt.

Door het woord ontbinden te gebruiken, neemt de Here Jezus elke mogelijkheid tot misverstand weg. Het onderwijs van de Here Jezus heeft onder de Joden veel aandacht getrokken.  Hij heeft op het moment van Bergrede al in veel synagogen Zijn onderwijs gegeven. De mensen praten over Hem en over het verschil met wat de Joodse leiders hen leren. De Schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zeker 613 regels bij Gods wet gemaakt. Ze maken allerlei spitsvondige onderscheidingen en regels. Ze leggen dat over het leven van Gods volk.   Daarbij zijn er dan weer allerlei discussies over uitzonderingen en toepassingen. Omdat het onderwijs van de Here Jezus zo anders was, kwam er het verwijt dat Hij de wet of delen van de wet of de profeten zou ontbinden. Buitenwerking stellen. Voor niet meer geldig zou verklaren. Dat was een van de manieren om de Here Jezus bij Gods volk verdacht te maken. Hij maakt nu duidelijk dat Hij niet van het Oude Testament ongeldig verklaart. In vers 18,19 wordt dat met grote klem door Christus duidelijk gemaakt. Let er daarbij op dat vers 18 vooral bij de profeten aansluit en vers 19 voor bij de wet.

De Joden moeten niet denken dat de Here Jezus gekomen is om maar het kleinste deel van God wet aan de kant te schuiven. Hij komt niets ongeldig verklaren. Wat Hij wel ongeldig verklaart en daarmee als niet bindend  verklaart, is veel van het onderwijs van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Veel daarvan is niet volgens de norm van Gods hele Woord. Het heeft vaak voor de mensen het gezag gekregen alsof het Gods Woord was en de Here Jezus ontmaskert dat. Hij vertelt de mensen dat Hij gekomen is om te  vervullen.

 

  1. Vervullen -  πληρῶσαι

 

Het woord vervullen kan meerdere betekenissen hebben.  Wanneer we naar de betekenis van een woord zoeken is het verband altijd onmisbaar. De betekenissen die in verband met Matt 5:17 genoemd worden zijn deze:

  1. Jezus is gekomen om de openbaring te voltooien of de diepste bedoeling er van aan te wijzen.
  2. Jezus is gekomen om de wet uit te voeren en volledig te houden.
  3. Jezus is gekomen om wet en profeten te handhaven.
  4. Jezus is gekomen om wet en profeten vol te maken.

De eerste drie mogelijkheden die hier genoemd worden, zeggen te weinig als het gaat om het verband waarin de Here Jezus hier het woord vervullen gebruikt. De eerste drie mogelijkheden wijzen op bepaalde elementen die een rol spelen maar zijn op zich te beperkt.

Wanneer je er op let in welk verband de Here Jezus hier het woord vervullen gebruikt, is het goed om er op te letten hoe er in de hoofdstukken voor Mattheus 5 over vervullen gesproken wordt. De Here Jezus zelf wijst in vers 17  op de profeten. Hij heeft de profeten niet ongeldig verklaard. Hij laat in Zijn leven  en de dingen die Hij doet en leert  zien dat Hij uitvoert wat de profeten over Hem zeggen. Hij gaat ook uitvoeren de dingen die nog niet gedaan zijn. Hij zal in Zijn optreden de profeten vol maken. Hij doet dat zelfs niet alleen in Zijn werk op aarde. Hij gaat daarmee door tot de dag dat Hij terugkomt op de wolken. Na Zijn hemelvaart is Hij nog de beloofde Verlosser die bezig om tot de laatste jota en tittel de wet en de profeten te vervullen.

Het woord vervulling wijst niet alleen op de vervulling van de profeten. Christus is ook gekomen om de wet te vervullen. We mogen daarbij niets van de eerste vijf boeken van het Oude Testament uitsluiten. Het is duidelijk dat de Here Jezus ook gekomen is om wat wij de Mozaïsche wetten noemen te vervullen. Het is weer belangrijk om er op te letten dat vervulling tegenover ontbinden staat. Het is ook van groot belang om er op te letten op welk moment in de geschiedenis de Here Jezus dit zegt. Hij zegt het voordat Hij als vervulling van de tempel en de offerdienst het grote offer van Zijn leven aan het kruis brengt. Als het Lam van God. Hij bindt het volk op het moment van de Bergrede ook nog aan alle ceremoniële wetten van het Oude Testament. Hij verklaart die wetten op dat moment niet ongeldig. Hij handhaaft ook deze wetten op dat moment en in Zijn leven laat Hij de gehoorzaamheid ook aan die wetten zien.

Toch zeggen we te weinig als we beweren dat de Here Jezus de wet en de profeten alleen handhaaft. We kunnen niet blijven staan bij het moment dat de Here Jezus deze woorden uitsprak. Hij is namelijk gekomen om iets te doen. Wanneer Hij deze woorden uitspreekt, maakt Hij duidelijk dat Hij ze ook gaat uitvoeren. Om zo de Schrift  vol te maken. De vervulling van de wet moet we ook in het licht van de heilshistorie  zien.

De Here Jezus moet daaraan ook heel diep lijden. Hij voert Gods plan van verlossing uit zoals dat in de wet en profeten beschreven is. Hij voert dat zo volledig uit dat bepaalde delen van het Oude Testament niet meer op dezelfde manier uitgevoerd mogen worden. We belijden dat in artikel 25 van de Nederlandse geloofsbelijdenis zo: “Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zijn hun vervulling hebben.”     

Wanneer we toch nog  de schaduwen willen houden terwijl in Christus de werkelijkheid gekomen is, schatten we Christus en Zijn werk niet echt op waarde. Toch hebben de wetten en voorschriften die schaduwen zijn voor ons nog zeker waarde. We moeten zoeken naar de betekenis van deze wetten en gedeelten in Gods Woord om het werk van Christus beter in diepte te leren kennen en zo ook al hoe meer de HERE in Zijn grootheid te kennen. Ik kom daarop met enkele voorbeelden zo terug om te zien hoe we daarvan de blijvende betekenis voor ons leven kunnen ontdekken.

De wetten die geen ceremonieën of heenwijzingen naar Christus zelf zijn, hebben voor ons vandaag op een andere manier betekenis. Christus heeft ze vervuld door in volkomen liefde daaraan gehoorzaam te zijn. Die zijn dus zeker niet afgeschaft. In artikel 25 van de NGB belijden we daarover: “Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer.”

 

 Onderscheid zonder scheiding

 

We komen op verschillende manieren het verschil tussen Gods morele wet en de burgerlijke en ceremoniële wetten in het Oude Testament tegen. Dat is een hulplijn zonder om dat absoluut te maken. Dit onderscheid is niet iets dat ons een hermeneutische sleutel geeft om op dit punt alles voor onszelf op te kunnen lossen.[7]

Het is duidelijk dat we niet meer mogen doen alsof Christus Zijn werk van verzoening niet heeft volbracht. Een tempel met alles er omheen hoort er niet meer bij. Het is ook duidelijk dat de voedselvoorschriften van het Oude Testament niet meer op dezelfde manier gelden.  Zie Handelingen 10 en 15. Het is ook niet zo dat we nog leven in een tijd waarin een volk Gods volk is met daaraan verbonden een bepaalde staatsvorm.

Toch klinkt ook in deze voorschriften en wetten het evangelie. We vinden dat op een heel mooie manier in de verklaring van Johannes Calvijn van 2 Tim 3:17:   “Opdat de mens God geheel.  Het woord geheel, wordt genomen voor volkomen, of waaraan niets ontbreekt: want hij bevestigt eenvoudig, dat de schrift genoegzaam is tot volkomenheid. Die dan niet met de Schrift tevreden is, wil wijzer zijn dan het wel betaamt of nuttig is. Maar men doet hier een vraag; aangezien de heilige Paulus van de Schrift spreekt, die onder het Oude Testament begrepen is, hoe kan het geschieden, dat ze de mens helemaal volkomen maakt? Want is het zo,  dan schijnt wat de Apostelen na die tijd bijgevoegd hebben, overtollig te zijn? Ik antwoord, dat er niets bijgevoegd is, zoveel de substantie aangaat; want de schriften van de apostelen bevatten niet anders dan een zuivere en rechte uitlegging van de wet en profeten., met de overlevering van de voorzegde dingen. Hierdoor zo geeft de heilige Paulus geen kwaad getuigenis van de Schrift: en nademaal zijn leer thans voller en klaarder is, door het bijkomen van het Evangelie, wat zullen wij dan zeggen, dan dat veelmeer te hopen is, dat deze nuttigheid, waarvan Paulus spreekt, zich veelmeer openbaren zal, zo wij ze willen onderzoeken en aannemen?”[8]  

 

Een belangrijke vraag voor ons is wel hoe we Gods wil nu ook in wetten en voorschriften van het Oude Testament vinden die voor ons na Christus’ werk niet meer op dezelfde manier gelden. Daarvoor is meer nodig dan te onderscheiden tussen de morele,  burgerlijke en ceremoniële wetten. Dit onderscheid heeft haar eigen waarde. Toch klinkt ook in deze wetten het evangelie. Ook daarin vinden we terug wie de HERE is en wat Zijn wil is. Het zou daarom goed zijn om achter deze voorschriften te zoeken naar het principe dat de HERE hierin gelegd heeft. Het wijst op de vervulling in Christus en vaak ook op de wil van God voor ons leven. Dan blijven er altijd weer vragen. Dan zal er ook vaak discussie blijven over meerdere concrete wetten en voorschriften. Toch is het roeping en erg de moeite waard om vanuit het geheel van de Schrift te zoeken naar het principe dat er achter ligt.

Ik noem een paar voorbeelden die ons ook vandaag helpen om Gods wil voor ons leven van elke dag in allerlei verbanden te ontdekken.

 

  1. De HERE  geeft in Deuteronomium 23 bepalingen voor wie er in de heilige vergadering komen mag. Het gaat er dan om dat het volk als enige volk op dat moment Gods volk op aarde is. Dat is nu niet meer zo. Het is niet meer zo dat een volk de kerk van Christus is. De bepalingen over de Edomiet, de Ammoniet, Moabiet en Egyptenaar horen bij een verouderde situatie. Bij het verbond dat verouderd is.   Hebreeën 8. Toch moeten we vragen wat de bedoeling van de HERE achter deze regels was. Wat is de claim die de HERE hier neerlegt? De betekenis ligt in ieder geval daarin dat niet ieder die naar de kerk van Christus komt mag worden toegelaten. Hoe iemand leeft heeft daarbij grote betekenis. Leeft iemand echt als kind van God of in feite als goddeloze.[9]
  2. Een tweede voorbeeld is wat we lezen in Deuteronomium 22:8: “Wanneer u een nieuw ​huis​ bouwt, moet u op uw ​dak​ een borstwering maken, zodat u geen ​bloedschuld​ op uw ​huis​ laadt, wanneer iemand eraf valt.”

Dit wil niet zeggen dat we op ieder plat dak ook nu een soort schutting moeten bouwen.  Het was in die tijd zo dat het platte dak ook een plaats was waar werd gewerkt en geleefd. Een dak waar je ook makkelijk met een vaste trap langs het huis op kon komen. De achtergrond van deze regel is dat je veiligheid moet geven voor wie op dat dak lopen en werken. Een ongeluk zit in een klein hoekje. Deze regel laat zien hoe belangrijk voor de HERE het leven en de bescherming van het leven is. Veiligheidsmaatregelen zijn geboden waar gevaren dreigen.  

  1. Leviticus 10: “De HEERE sprak tot ​Aäron: Wijn​ en sterkedrank mag u niet drinken, u niet en uw zonen met u ookniet, als u de ​tent​ van ontmoeting binnenkomt, opdat u niet sterft – het is een eeuwige verordening, al uw generaties door – zowel om onderscheid te kunnen maken tussen het ​heilige​ en het onheilige, tussen het onreine en het reine, als om de Israëlieten in al de verordeningen te kunnen onderwijzen die de HEERE door de dienst van ​Mozes tot hen gesproken heeft.” Je ziet hier weer een gebod dat we niet meer zo uitvoeren. Dee priesters en de tempel zijn er niet meer. Toch wordt duidelijk dat werken in dienst van de HERE grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Dat vraagt van ons dat we alles wat er voor kan zorgen dat we er niet echt verantwoordelijk en helemaal bewuster  bij zijn moeten laten om ons werk voor de HERE te kunnen doen. 
  2. Leviticus 21: “De HEERE sprak tot ​Mozes: Spreek tot ​Aäron​ en zeg: Niemand van je nageslacht, al hun generaties door, die een gebrek heeft, mag naar voren komen om het voedsel van zijn God aan te bieden. Voorzeker, geen enkele man die een gebrek heeft, mag naar voren komen: een blinde man, of een verlamde, of iemand met een misvormd gezicht of te lange ledematen, of iemand die een vergroeide breuk in zijn voet, of een vergroeide breuk in zijn hand heeft, of iemand met een bochel, of een dwerg, of iemand met een vlek op zijn oog, of met uitslag, of een ​huidziekte​ of met verminkte testikels. Geen enkele man uit het nageslacht van de ​priester​ ​Aäron​ met een gebrek mag naderbij komen om de vuuroffers van de HEERE aan te bieden. Hij heeft een gebrek, daarom mag hij niet naderbij komen om het voedsel van zijn God aan te bieden. Hij mag wel het voedsel van zijn God eten, zowel van de allerheiligste als van de ​heilige​ offergaven, maar omdat hij een gebrek heeft, mag hij niet bij het voorhangsel komen en niet tot het ​altaar​ naderen, opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheiligt, want Ik ben de HEERE, Die hen heiligt. Mozes​ sprak deze woorden tot ​Aäron​ en tot zijn zonen, en tot al de Israëlieten.” Vs 16-24

Ook hier hebben we met regels te maken die we niet meer kunnen uitvoeren. Er is geen tempel meer en geen priesters. We hebben hier zelfs te maken met regels die makkelijk ergernis opwekken. Toch spreekt hier juist de zorg voor wie gehandicapt is of  gehandicapt raakt. Voor de persoon die daardoor zwak geworden is, moet gezorgd worden. Juist door de gezonde mensen!  Die mag je niet links laten liggen. Verder laat dit het evangelie zien dat er op Gods volmaakte wereld geen handicap meer zal zijn. Dat is de toekomst die er is voor de gehandicapte gelovige is!

  1. Als laatste een voorbeeld een die veel ergernis en onbegrip oproept in onze samenleving en waarin bij goede lezing juist ook voor vandaag een echt evangelie naar ons toe brengt. Weer iets dat we nu niet meer zo doen en zelfs niet meer zo mogen doen. Het gaat me hier om het voorbeeld van de bloedwraak. Dit voorbeeld zal ik wat meer uitwerken omdat het juist ook laat zien dat bij het nadenken over wet en evangelie en wat dit ook voor de ethiek betekent  heilshistorische lezen nodig is. Om zo de  achtergrond en principe vanuit het hele evangelie te vinden. Dat is heel belangrijk

We lezen in het Oude Testament meerdere keren over bloedschuld en over een bloedwreker. Voorbeelden hiervan zijn:  Ex 22:2,3; Lev 20:9; 2 Sam 21:1; Num 35;12,19-27; Deut 19:6,12; Joz 20:3-9.

Wat was nu een bloedwreker? Dat was iemand die een moordenaar achtervolgde en doodmaakte. Het volk Israël heeft de het recht en zelfs de plicht tot bloedwraak gekend. Een bloedwreker mag niet zo te werk gaan dat de moordenaar zijn schuld met een groot geldbedrag afkoopt. We lezen dit in Num 35:31: “U mag geen losgeld aannemen voor het leven van degene die een ​doodslag​ begaan heeft die des doods schuldig is, want hij moet zeker gedood worden.”

Wat is de functie van de bloedwreker? We krijgen daarop antwoord in Num 35:31 en Deut 19:13.

De achtergrond van de plicht tot bloedwraak is dat Gods oordeel op aarde uitgevoerd moet worden. Bepaalde mensen krijgen daarvoor de verantwoordelijkheid. De HERE kan ze daarop aanspreken. Het diepste motief daarvoor ligt daarin dat de HERE de mens naar Zijn beeld geschapen heeft. Zie Gen 1:26-28.  De HERE straft de schending van het menselijke leven. Het bloed van de vermoorde mens roept tot de HERE. Gen 4:10 de Here God zoekt dan het bloed van de moordenaar. Psalm 9:13. Een moordenaar moet daarom met de dood gestraft worden. Gen 9:6. De bloedwreker is de persoon die door God aangewezen is om Zijn oordeel op aarde te voltrekken.  Eks 21:12-15;  Deut 19:13

Het lijkt in onze ogen wreed en gevaarlijk om in een samenleving bloedwraak toe te staan. Het lijkt er dan op dat je zomaar iemand kunt doden. Er is geen goede controle zo lijkt het. Waar blijft het recht? Toch is het niet op zijn plaats om hier over zomaar iets doen te spreken. Het is niet zo dat de HERE onder Zijn volk toeliet dat mensen het recht in eigen hand namen. Ook wanneer het om bloedwraak gaat, geeft de HERE voor Zijn volk wetten die deze bloedwraak binnen de rechtvaardige perken moet houden. Dit recht kan namelijk vanuit emotie en verkeerde gevoelens op een verkeerde manier toegepast worden. De HERE heeft dan ook voorschriften gegeven om er voor te zorgen dat dit niet zo gebeuren zal.   Dat het recht van God uitgeoefend wordt en niet de emotie en opwelling van mensen beslissend is.

Daarom komt de HERE op dit punt met de volgende voorschriften:

  1. Niet iedereen mag als bloedwreker optreden. Dat mag alleen een naast familielid van de gedode persoon gaan doen. Het was de losser die als bloedwreker moest optreden. De losser had o.a. de plicht om zijn naaste bloedverwant die zich als slaaf moest verkopen vrij te kopen. Lev 25:47-49

Hij had ook de taak om het naaste familielid die zijn grond moest verkopen te lossen. Dat betekende dat hij er voor zorgde dat die zijn stuk grond kon houden en niet tot armoede zou vervallen.  Lev 25:23-28  De derde verplichting die de losser volgens het wet van de HERE had, was de bloedwraak.   Het is jammer dat we in onze vertalingen vaak het woord  [10]גֹּאֵ֣ל  niet meer herkenbaar is als het gecombineerd wordt met  הַדָּ֔ם. [11] We lezen dan meestal meteen de vertaling bloedwreker. Zelfs als alleen het woord goël  alleen in dit verband gebruikt wordt.   Zie: Num 35:12,19,21,24,25,27; Deut 19:6,12; Joz 20:3,5,9; 2 Sam 14:11; 1 Kon 16:11. Een ding is duidelijk dat niet iedereen als losser mag optreden. Het initiatief om de moordenaar te straffen moet van een naaste familielid uitgaan. Het kan ook zo zijn dat hij zelf alleen de aanklager is en andere mensen stuurt om de moordenaar gevangen te nemen. Zie o.a.: Deut 19:11,12

  1. Een andere beperking om zomaar in woede een ander dood te maken was dat het niet zonder dat getuigen bevestigd hadden dat die persoon de moordenaar was gedaan mocht worden.

Een bloedwreker mocht niet afgaan op wat anderen ergens gehoord hadden.   Het was zelfs zo dat een getuige niet genoeg was om het doodvonnis aan iemand te kunnen voltrekken. We lezen dit in Num 35:30: “Wat betreft allen die iemand om het leven gebracht hebben: op grond van de verklaring van meerdere getuigen moet men degene die een ​doodslag​ begaan heeft, doodslaan. Er mag echter niet slechts één getuige tegen een persoon getuigen, zodat die zou moeten sterven.”

 

  1. Het was niet zo dat ieder die een ander doodgemaakt had dus  tot de dood schuldig was. Zelfs als getuigen iemand als de moordenaar hadden aangewezen mocht de bloedwreker hem zomaar doodmaken.  Er moest een onderzoek komen of  de moordenaar de ander opzettelijk of onopzettelijk gedood had. Over dat onderzoek lezen we o.a. in Exodus 21:12-14: “Wie iemand  slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden. Maar voor het geval dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten. Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt en hem met list doodt, moet u hem bij Mijn ​altaar​ vandaan halen, zodat hij zal sterven.”  Zie ook Numeri 35:19-25
  2. Er  ontstaat geen bloedschuld wanneer iemand in een oorlogssituatie een ander doodt. Een ander voorbeeld waarbij geen bloedschuld ontstaat, lezen we in Ex 22:2: “Als een ​dief​ bij het inbreken betrapt wordt en  geslagen wordt dat hij sterft, rust er geen ​bloedschuld​ op degene die hem sloeg.”  
  3. De laatste wetten die er voor zorgen dat iemand niet onschuldig gedood wordt, zijn die ten aanzien van de vrijsteden en de tempel als een vrijplaats[12]. Het gaat dan om mensen die de ander niet moedwillig, niet opzettelijk gedood hebben. Wanneer iemand naar zo’n plaats vluchtte en daar aankwam, moest  er een onderzoek plaatsvinden naar de omstandigheden waarin die ander gedood was. Wanneer duidelijk werd dat dit een ongeluk  of  zelfverdediging  was,  waarborgde de vrijstad of de tempel dat de dader veilig was tegenover de bloedwreker. Zie: Num 35:9-34; Deut 4:41-43; 19:1-13; Joz 20.  De regel dat iemand naar zo’n plaats kon vluchten, moest er voor zorgen dat dat de bloedwreker niet door de eerste emotie bewogen iets heel verkeerds zou doen en de dader een eerlijk proces kreeg . Het is dus ook om de emotionele bloedwreker te beschermen. Deut 19:6

 

Geen recht in eigen hand

 

 Wanneer je deze dingen overziet, zie je veel dingen waarin het evangelie van rechtvaardigheid en barmhartigheid naar voren komt. In de wetten, klinkt het evangelie van genade en ook van het herstel van het recht. Je ziet daarin ook het evangelie dat de HERE door Christus het leven herstelt. Dit betekent ook dat we het recht niet in eigen handen nemen.

Het is uit wat we over de bloedwraak en de bloedwreker gelezen hebben duidelijk dat er niet zomaar doodgemaakt mag worden. Een degelijk onderzoek is vereist. 

We zien ook hoe omstandigheden in de heilsgeschiedenis veranderen. Later in de geschiedenis van Israël is het niet meer zo dat de bloedwreker de straf voltrekt. Dan gebeurt het niet meer zonder de officiële uitspraak van de aangestelde rechters. We lezen van koning Josafat in 2 Kronieken 19 dat hij rechters aanstelt en dan tegen hen zegt:  “Dit moet u in de vreze des HEEREN, in trouw en met een volkomen ​hart​ doen. En bij elk geschil dat door uw broeders die in hun steden wonen, aan u wordt voorgelegd over ​bloedschuld, over wet en gebod, verordeningen en bepalingen, moet u hen waarschuwen, zodat zij niet schuldig worden tegenover de HEERE, en er grote toorn op u en op uw broeders rust. Als u zo handelt, zult u niet schuldig worden.”

Het is duidelijk dat in de loop van de heilsgeschiedenis het ambtelijke toezicht op de manier waarop het recht wordt uitgevoerd al groter wordt. Er komen meer officiële rechters. Het gevolg is dat het zelf als bloedwreker optreden al minder voorkomt. Maar ook de voorschriften voor bloedwraak maken duidelijk dat alles volgens recht moet gebeuren. Dat niet de emotie en de vermoedens de doorslag mogen geven maar dit wat de HERE ons als recht gegeven heeft.  Waarbij er echt bescherming is en iemand pas echt schuldig is als hij of zij na een gedegen onderzoek veroordeeld wordt. Mensen mogen niet voor eigen rechter spelen.  

We moeten in onze tijd profetisch optreden wanneer Gods recht en daarmee dat van de naaste niet geëerbiedigd wordt. Dat is ook nodig wanneer de wetten van het land en de beslissingen van rechters niet meer Gods goede recht handhaven en uitvoeren. Toch geeft ons dat niet het recht om het recht in eigen hand te nemen. Het is nodig om de overheid met kracht er aan te herinneren dat ze in dienst van God staan. Dat ze de taak hebben zoals in Rom 13:4 omschreven: “Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het ​zwaard​ niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.”

Wanneer de overheid dingen doet die niet volgens Gods geopenbaarde wil zijn, mogen wij niet zelf beginnen te straffen. We moeten de overheid dan wel tot verandering oproepen. Christus houdt de overheid en de rechters verantwoordelijk voor wat zij wel en niet doen.

Paulus roept in de brief aan de Romeinen mensen niet op om keizer Nero dood te maken. Hij roept niet op om het recht in eigen hand te nemen tegenover een keizer die veel mensen met plezier meedogenloos doodt of laat doodmaken. Hij roept de gemeente van Christus juist vanuit het evangelie op om zelfs aan deze keizer gehoorzaam ter zijn. Paulus is zelf als moordenaar opgetreden (Hand 26:10) en toch riepen de apostelen de leden van Christus’ gemeente niet op om deze vervolger van de kerk te doden. De kerk heeft daartoe het recht niet. De kerk heeft de taak om de overheid op te roepen om haar taak als Gods dienares uit te voeren. Niemand die macht heeft, heeft het recht om het recht in eigen hand te nemen. Eigen rechter spelen, hoe je ook van Gods recht en van de schuld van een ander overtuigd bent, is zonde.  

 

Het zou goed zijn om er steeds weer op te letten dat wet en evangelie onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Een christen moet alles geloven wat ons in het evangelie beloofd is. (vraag/ant 21 Heidelbergse Catechismus)    In het evangelie vinden we de wet, de wet is vol van het evangelie. De hele Schrift die we heilshistorisch hebben te lezen laat ons al meer zien wie de HERE is en hoe Hij ons leven wil. In Christus is de verdoemende kracht van de wet gedragen voor de gelovigen en laat ze ons Gods veelkleurige wijsheid voor alle tijden zien.

 

Ik weet dat er nog veel meer over te zeggen valt. Ik hoop daar op een ander moment de tijd voor te hebben. Voor 4 maart moet dit nu genoeg zijn.

 

 

[1] H. Bornkamm, Luther and the Old Testament Philadelphia, Fortress p. 122,123

[2] G.P. Duffield, N.M Van Cleave  Woord en Geest  Hoofdlijnen van de theologie van de Pinksterbeweging  Kok Kampen 1996  p. 173,174

[3] Kort en goed overzicht over Darby, Scofield en hun leerlingen te vinden op: https://www.reformedreflections.ca/articles/th-dispensationalism-d-s.html

[4] J. Douma   Grondslagen  Kok Kampen 1999 p. 110-115

[5] Belangrijke werken die deze positie met variaties op concrete punten uitwerken zijn:

W.O.  Einwechter   Ethics & Law  An Introduction to Theonomy Preston/Speed Publications  Pennsylvania  1995

R.J. Rushdoony  The Institutes of Biblical law The Craig Press  1973

G.L. Bahnsen  No Other Standard  Institute of Christian Economics Texas 1993

Norton , G Demar Christian Reconstruction What It Is, What It Isn’t Institute of Christian Economics  Texas 2014 (e-book)

Een heel goede discussie naar aanleiding en ook met een vertegenwoordiger van de theonomie gedachten is:  D.L. Bahnsen e.a.  Law, the Gospel, and the Modern Christian  Zondervan  Grand Rapids 1993

[6] Thera Tanis- Baars   Gewogen Woorden  Apeldoorn Banier  2014 p. 86,87

[7] Ik geef hier een interessante passage uit de Institutie van Calvijn weer. Voor de vlotte leesbaarheid uit de editie van Gerrit Veltman: J. Calvijn Institutie  Theofilus  2019  IV, 20,14 en 15  p. 705,706  ”Ook dit zou ik liever stilzwijgend volledig willen overslaan. Maar ik besef dat velen op dit punt gevaarlijk dwalen. Want er zijn mensen die zeggen dat een staat niet juist is ingericht als die de staatsinrichting  van Mozes negeert en geregeerd wordt door de gewone wetten van de volken. Hoe gevaarlijk en opstandig deze opvatting is, mogen andere beoordelen. Voor mij is het genoeg als ik laat zien dat deze opvatting onjuist en dom is.

We moeten letten op de gebruikelijke indeling van heel Gods wet die vai Mozes is afgekondigd in morele, rituele en burgerlijke wetten. En we moeten elke onderdeel apart bekijken om te kunnen uitmaken wat daarvan nog op ons slaat en wat niet. Ondertussen hoeft niemand zich er druk over te maken dat ook het burgerlijke en het rituele bij het morele hoort. Dee oude schrijvers die deze indeling leerden, wisten heel goed dat die twee laatste onderdelen ook met het morele te maken hebben. Toch noemden ze die geen morele wetten. Want ze konden veranderd en afgeschaft worden zonder morele consequenties. Daarom noemden ze het eerste onderdeel specifiek de morele wetten., omdat een echt moreel heilig leven en de onveranderlijke norm voor goed leven niet kunnen bestaan zonder dat onderdeel.  ………. Als dit waar is, houden natuurlijk alle volken de vrijheid om wetten te maken waarvan ze vinden dat die nuttig voor hen zijn. Als ze maar in overeenstemming zijn met de eeuwige norm van liefde. Dan kan dus wel de vorm verschillen, maar hebben ze toch hetzelfde uitgangspunt. Want die barbaarse en onbeschaafde wetten die bijvoorbeeld dieven met eer beloonden en seksuele gemeenschap toestonden met iedereen, zonder onderscheid, of andere die nog veel schandelijker en absurder waren, mogen volgens mij niet als wetten beschouwd worden. Die hebben immers niets te maken met rechtvaardigheid en evenmin met  medemenselijkheid en vriendelijkheid.”  

[8] J. Calvijn Zendbrieven 3  W.A. de Groot Goudriaan 1972 p. 144,145

[9] R. Visser  Wie mag by die kerk behoort? (Ondersoek na die betekenis van die uitdrukking Qehal Jahwe in die Ou Testament). In: Hannes Breytenbach e.a. Kerkeenheid: Eenheid in die  ware geloof  pretoria 1999 p. 5-16. Ook te vinden in de reader: Het Woord openen en bedienen p. 161-180

[10] Zie voor een goede bespreking van het woord go’ël  en het werkwoord ga’al:  Hulst AR, van Leeuwen C. Bevrijding in het Oude Testament, Kampen: Kok. 1981. p. 51-73. Die grondbetekenis van die woord ga’al  is dat door een bepaalde  handeling iets weer in de oorspronkelke hande of in die oorspronklike toestand terugkeer.  

[11] Enkele belangrijke opmerkingen over de go’ël haddam vinden we in: Peels HGL.  De wraak van God. Zoetermeer: Boekencentrum. 1992. P 69-71.

[12] Een belangrijk boek over de vrijsteden en het verdere asielrecht is: B. van Oeveren  De vrijsteden in het Oude Testament Kok, Kampen 1968