Dit zijn meditaties die geschreven zijn als voorbereiding op een gezamenlijk Bijbelstudieproject voor een hele gemeente. Daarin wordt de brief aan de Galaten in 6 keer besproken. Dit is voorstudiemateriaal dat daarbij gebruikt kan worden,
Lezen: Galaten 1:1-5
Misschien ken je het stripverhaal over Asterix en Obelix. Je vindt het misschien vreemd dat ik het hier noem. Dat doe ik omdat de Galaten uit Gallië kwamen. Gallische en Keltische stammen waren in de derde eeuw voor Christus via Griekenland naar het huidige Turkije gegaan. Velen van hen spraken in de tijd van Paulus nog de taal van het land waar ze vandaan kwamen. Tot 400 jaar na Christus waren er daar nog mensen die Gallisch spraken. Ze hadden daar ook medicijnmannen zoals Panoramix in de strip.
De gemeenten in Galatië hebben dus te maken met deze heidense achtergrond. Ze krijgen ook te maken met Joden die in de Here Jezus geloven als de beloofde Verlosser, maar die dan ook zeggen dat je als je echt bij Christus wil horen besneden moet worden en je moet houden aan al de wetten die aan het volk Israël gegeven zijn.
In deze omstandigheden laat Paulus weten wie hij is en wat het echte evangelie is. Paulus is een apostel. Een apostel was iemand die door Christus was uitgekozen om iets bijzonders te doen. Een apostel was ook iemand die van de Here Jezus zelf gehoord had wat Zijn boodschap is. Iemand die zelf de Here Jezus ontmoet had en daarom kon zeggen dat hijzelf met de Here Jezus gesproken had.
Zie Handelingen 1:21-26 en 1 Johannes 1:1-4
We moeten bedenken dat Paulus echt een apostel was. Hij heeft niet drie jaar met Jezus meegelopen. Maar Christus heeft met hem gesproken op weg naar Damascus en heeft hem later privéonderwijs gegeven. Daarop kom ik terug in de vijfde meditatie.
Apostel beteken dat je gestuurd bent door een ander. In dit geval en dat is beslissend door Jezus Christus en door God te Vader. Juist in de opstanding zie je dat Christus de levende Heer is. Hij is door de Vader uit de dood opgewekt.
De genade en de vrede die we nodig hebben, komen van de Vader en van Christus. Die genade en vrede vinden we niet in de wereld. Die vinden we niet in onszelf. Paulus leert de gemeenten zo op de Vader en de Zoon gericht te zijn. Dat is de enige goede levensrichting. Dat wil de Geest ons door het geloof geven.
We moeten uit de zondige wereld getrokken worden. Die wereld is slecht. Daarin is geen genade en vrede te vinden. Dat is ook de wereld die bij de duivel hoort. We moeten overgezet worden uit het rijk van de duisternis naar het rijk van de Zoon van Gods liefde. Zie Colossenzen 1:12-14
Lezen: Galaten 1: 6-9
Paulus laat blijken dat hij ontsteld is. Hij maakt ook duidelijk wat de kern daarvan is. Dat is niet omdat de Galaten zich van hem afkeren. Dat ze de meningen van Paulus nu niet meer voor zoete koek aannemen. Nee, het gaat veel dieper. Ze keren zich van God af! Van Hem die in Zijn grote liefde met het evangelie naar hen toegekomen is. Het evangelie betekent: het goede, blijde nieuws.
In de gemeenten in Galatië zijn er leiders die een andere boodschap het evangelie noemen. Dat zijn op dat moment geen mensen die kritiek op de Bijbel hebben. Het zijn voor het oog heel vrome en gelovige mensen. Bedenk dat op het moment dat deze brief geschreven wordt, er nog geen Nieuwe Testament is. De Bijbel van toen was het Oude Testament. De mannen die in de gemeenten daar gekomen zijn, zijn mannen die juist heel sterk geloven dat het Oude Testament helemaal Gods Woord is. Ze willen niet weten van enige kritiek op de Bijbel. Ze geloven ook in de Here Jezus als de Verlosser die je nodig hebt.
Toch zegt Paulus in de naam van Christus dat zij met een ander evangelie komen. Een andere boodschap die niet strookt met wat Christus gedaan en verteld heeft. De Here Jezus heeft laten zien dat het hele Oude Testament Gods Woord is. Zie o.a. Mattheüs 5:17-20. Hij heeft ook duidelijk gemaakt dat het hele Oude Testament over Hem spreekt. Zie o.a. Lukas 24: 25-30; 44-49
Leiders in de gemeenten van Galatië dragen een boodschap uit die niet het echte evangelie is. Al aanvaarden ze het Oude Testament als Gods Woord en geloven ze in Jezus Christus als de Verlosser. Wat is het probleem? Zij verkondigen dat je in Jezus moet geloven en nog meer dan dat. Het is een Jezusplus evangelie. Je moet als een Jood gaan leven. Je zou vandaag zeggen: je moet in Christus geloven en ook in allerlei gedachten en gewoonten die wij hebben.
Paulus maakt duidelijk dat het gaat om het geloof in Christus alleen. Zie ook Handelingen 8:36-40. Het gaat erom dat we van genade alleen willen leven en dat ons verkondigd wordt. Dat is het evangelie. Op dit punt was er in de tijd van de eerste christelijke gemeenten veel te doen. Het was voor Joden heel erg wennen om naast zich in de kerk mensen te hebben die heel anders leefden dan zij, en dat waren toch echte gelovigen. Zie Handelingen 15.
Dit betekent niet dat Gods geboden niet meer voor ons gelden. De normen van God, zoals in de 10 geboden gegeven, blijven geldig en de HEERE vraagt ook een leven volgens deze geboden.
Maar waar een leven alleen van genade wordt vervangen door dat je toch eigen dingen moet doen om bij Christus en Zijn kerk te horen, hebben we te maken met een ander evangelie dat onder Gods oordeel valt. Aan mensen die dit verkondigen moeten we geen gehoor geven. We hebben te blijven bij de boodschap: door genade alleen, door Christus alleen.
Lezen: Galaten 1:10-14
Paulus maakt duidelijk dat om door mensen geprezen te worden hij beter iets anders had kunnen schrijven. Hij is echt een apostel. Hij schrijft wat de Geest hem opdraagt om te doen. Trouw aan het evangelie. Trouw aan Christus.
Als we zo spreken en schrijven zoals de mensen het graag zien, staan we niet in dienst van Christus. Als je eraan denkt hoe er in de wereld om ons heen gesproken, gedacht en gevoeld wordt, zie je ook onze taak. Steeds weer, ondanks de geest van de tijd, met liefde en zachtmoedigheid het evangelie blijven uitdragen.
Waarom stuit dat echte evangelie op tegenstand? Niet omdat het onze mening is. Mensen vinden het prima als je een eigen mening hebt. Als je maar niet zegt dat alleen het leven met Christus het goede leven is. Daarbij gaat het niet alleen om anderen. Dan begint het bij jou en mijzelf. Het echte evangelie botst met mijn gevoelens, met mijn gedachten, met mijn verlangens. Het echte evangelie is namelijk niet naar de mens. Het staat tegenover ons hart dat van de zonden houdt. Het evangelie komt ook niet op uit een menselijk hart.
Het komt van God. Van het echte evangelie geldt: “Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Aan ons echter heeft God het geopenbaard door Zijn Geest. De Geest immers onderzoekt alle dingen, zelfs de diepten van God. Want wie van de mensen kent de dingen van de mens dan de geest van de mens, die in hem is? Zo kent ook niemand de dingen van God dan de Geest van God. En wij hebben niet ontvangen de geest van de wereld, maar de Geest Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons door God genadig geschonken zijn. Van die dingen spreken wij ook, niet met woorden die de menselijke wijsheid ons leert, maar met woorden die de Heilige Geest ons leert, om geestelijke dingen met geestelijke dingen te vergelijken. Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden. De geestelijke mens beoordeelt wel alle dingen; zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld. Want wie heeft de gedachten van de Heere gekend, dat hij Hem zal onderrichten? Maar wij hebben de gedachten van Christus.” 1 Korinthe 2:9-16
Paulus laat aan zijn eigen leven zien dat het echte evangelie en de verkondiging ervan niet uit onszelf komt. Paulus was iemand die vanuit zijn eigen hart niet van Christus hield. Hij haatte Hem. Toch is hij nu een apostel van Christus. Dat is alleen zo door het ingrijpen van Christus in Zijn leven. Zie Handelingen 9:1-9; 1 Timotheus 1:12-17.
Als Paulus aanzien had gezocht, een succesvol leven in de ogen van mensen wilde hebben, dan had hij in het Jodendom moeten blijven. Daar zou hij dan veel eer en roem ontvangen hebben. Zonder vervolgingen en andere moeiten.
Geloven in Christus is ook in ons leven niet ons eigen werk, maar het werk van de Geest in ons leven.
Lezen: Galaten 1:15-17
Gods werk gaat door. Hij overwint mensen volgens Zijn plan. Het is de HEERE die Paulus liet geboren worden om in Zijn dienst heel belangrijk werk te gaan doen. Het is Gods genade dat Hij Paulus daartoe riep. Het is Gods werk in Paulus dat ervoor zorgt dat Paulus dat ook echt gaat doen. Gods kracht is ervoor nodig om een mens tot Christus te brengen en in Zijn dienst te willen staan.
We belijden dat vanuit Gods eigen Woord in de Dordtse Leeregels o.a. zo: “Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de dood en levendmaking, die God zonder ons in ons tot stand brengt en waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt. God brengt deze wedergeboorte niet tot stand door alleen te laten prediken of een appel op ons te doen. Zij geschiedt niet op zo'n manier dat de mens, wanneer God voor zijn deel het werk voltooid heeft, nog steeds bij machte is al dan niet wedergeboren en bekeerd te worden. Nee, het is een volstrekt bovennatuurlijke, zeer krachtige en tegelijk zeer liefdevolle, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking. Deze is naar het getuigenis van de Schrift, die ingegeven is door dezelfde God die dit bewerkt, niet minder krachtig dan zijn werk bij de schepping of de opwekking van doden. Daardoor worden allen bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven. En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft.” III/IV,12
De boodschap van het evangelie komt van buiten naar ons toe om door de Geest in ons te werken. Dan is het de Zoon, dan is het Christus, die in ons leven het stuur van ons leven overneemt. Het gaat erom dat we al meer beeld van Christus worden en zo al meer beeld van God. Zodat aan ons te zien is dat we niet meer van onszelf zijn, maar van Christus. Al meer duidelijk Gods beeld op aarde.
Bij Paulus komt er nog bij dat de HEERE voor hem een bijzondere taak had. Dat hij de goede boodschap juist onder de heidenen zou verkondigen. Het evangelie is niet alleen voor de Joden. Het moet de wereld over. Christus geeft Paulus daarin een bijzondere opdracht. Hij gaat tot in Rome met de boodschap van Christus als de enige Redder. Zie ook Handelingen 28:22-31.
Paulus krijgt de opdracht om aan de volken het evangelie te brengen. Zie ook Handelingen 9:15,16
Paulus begrijpt dat hij het evangelie van Christus niet kan brengen zonder om eerst zelf meer onderwijs te krijgen. Hij zoekt dat verdere onderwijs niet bij mensen, maar bij Christus zelf. Daarom gaat hij niet naar Jeruzalem,, maar naar Arabië. Het is moeilijk om precies te bepalen wanneer dit is gebeurd. Maar één ding is duidelijk: Paulus krijgt onderwijs van Christus zelf, zodat hij goed toegerust het evangelie kan brengen. Daarover in de volgende meditatie meer.
Lezen: Galaten 1:18-24
Paulus is een apostel. Daarom krijgt hij onderwijs van Christus zelf, zoals de andere apostelen dat hebben gekregen toen ze drie jaar met de Here Jezus door Israël liepen.
Arabië is de landstreek ten oosten van Damascus. Daar vinden we ook de berg Horeb, waarop de HEERE voor Mozes Zijn wetten gegeven heeft. Daar in Arabië lijkt Paulus alleen te zijn. Om voorbereid te worden op zijn taak om het evangelie aan veel mensen te brengen. Paulus vertelt ook heel sober dat hij openbaringen van God gekregen heeft. Toen hij alleen was. Zo wordt Paulus ‘bijgepraat en onderwezen’ door Christus. We lezen daar onder andere over in Efeze 3 en 2 Korinthe 12
Efeze 3: “Om deze reden ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen bent, als u tenminste gehoord hebt van de uitdeling van de genade van God die aan mij gegeven is ten behoeve van u, dat Hij mij door openbaring dit geheimenis bekendgemaakt heeft (zoals ik eerder in het kort geschreven heb; waaraan u, als u dit leest, mijn inzicht kunt bemerken in het geheimenis van Christus)”. Vs 1-4
2 Korinthe 12: “Te roemen is werkelijk niet gepast voor mij, want ik zal komen op verschijningen en openbaringen van de Heere. Ik ken een mens in Christus, veertien jaar is het geleden – of het in het lichaam gebeurde, weet ik niet; of buiten het lichaam, weet ik niet; God weet het – dat zo iemand tot in de derde hemel werd opgenomen. En ik weet van deze mens – of het in het lichaam of buiten het lichaam gebeurde, weet ik niet; God weet het – dat hij werd opgenomen in het paradijs en onuitsprekelijke woorden heeft gehoord, die het een mens niet is geoorloofd uit te spreken. Over zo iemand zal ik roemen, maar over mijzelf zal ik niet anders roemen dan in mijn zwakheden. Want gesteld dat ik zou willen roemen, ik zal niet dwaas zijn; ik zal immers de waarheid spreken. Ik onthoud mij daar echter van, opdat niemand méér van mij denkt dan wat hij aan mij ziet of van mij hoort. En opdat ik mij door het allesovertreffende karakter van de openbaringen niet zou verheffen, is mij een doorn in het vlees gegeven, een engel van de satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij niet zou verheffen.” vs 1-7
Paulus komt met het gezag van Christus, omdat Christus zelf hem onderwijs gegeven heeft. Een echte apostel. Dan gaat hij op weg. Hij gaat het evangelie verkondigen aan heidenen. Een van de vruchten die de Geest op het werk van Paulus geeft, is het ontstaan van de gemeente van Antiochië. Zie Handelingen 13. Je kunt daar de preek lezen die Paulus daar hield. Dan zie je hoe de Here Jezus hem onderwijs gegeven heeft. Hoe Paulus vanuit het Oude Testament Christus verkondigde.
Daar lees je ook dat Paulus geroepen was om het evangelie ook aan de heidenen te verkondigen: “Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig dat het Woord van God eerst tot u gesproken zou worden, maar aangezien u het verwerpt en uzelf het eeuwige leven niet waard oordeelt, zie, wij wenden ons tot de heidenen. Zo immers heeft de Heere ons geboden: Ik heb u tot een licht voor de heidenen gesteld, opdat u tot zaligheid zou zijn tot aan het uiterste van de aarde.” vs 46,47
Lezen: Galaten 2:1,2
Het is belangrijk om scherp te hebben waar het over gaat als in vers 1 over 14 jaar gesproken wordt. We moeten bedenken dat het er in hoofdstuk 1 over ging dat Paulus door Christus geroepen werd om het evangelie onder de heidenen te verkondigen. Die roeping kwam tot hem toen hij als christenvervolger op weg was naar Damascus. Zie Handelingen 9.
Drie jaar daarna is Paulus naar Jeruzalem gegaan. Vooral om met Petrus te overleggen en hem beter te leren kennen. In die dagen spreekt Paulus ook met Jakobus. Jakobus was toen de leider van de gemeente van Jeruzalem. Hij was een broer van de Here Jezus en de schrijver van de brief van Jakobus die we in de Bijbel vinden. Zie voor Jakobus ook: 1 Korinthe 15:7. Paulus was toen 15 dagen in Jeruzalem. Paulus was hiervoor ook kort in Jeruzalem geweest toen hij uit Damascus moest vluchten. Zie Handelingen 10:23-31
Het meest waarschijnlijke is dat na 14 jaar erover gaat dat Paulus naar Jeruzalem gaat voor het overleg en de vergadering waarover we in Handelingen 15 lezen. Er is spanning in de kerk van Christus over de vraag of de gelovigen uit de heidenen als Joden moeten leven. Zijn ze gebonden aan wetten die de HEERE gegeven heeft voor het volk Israël, zoals de wetten over reine en onreine dieren? Moeten nieuwkomers ook gebonden worden aan wetten en gebruiken die meer zijn dan waaraan Christus ons bindt? Zie hierbij ook artikel 7 en artikel 32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.
Het belangrijkste verschil van mening wordt in Handelingen 15 zo omschreven: “Er kwamen enkele leerlingen uit Judea, die betoogden dat de broeders zich moesten laten besnijden, overeenkomstig het door Mozes overgeleverde gebruik, omdat ze anders niet konden worden gered. Dit leidde tot grote onenigheid met Paulus en Barnabas en mondde uit in een felle woordenstrijd. Besloten werd dat Paulus en Barnabas, samen met enkele andere leerlingen, naar Jeruzalem zouden gaan om deze kwestie voor te leggen aan de apostelen en de oudsten.” Vs 1,2. Titus zal dus een van die andere leerlingen zijn geweest.
Bijzonder is dat hier wordt verteld dat Paulus op weg naar Jeruzalem gaat op grond van een openbaring. Het is niet zo dat hij naar Jeruzalem gaat omdat hij ontboden wordt door de kerk van Jeruzalem en ook niet omdat de gemeente van Antiochië hem stuurt. Dat laatste gebeurde wel. De doorslaggevende reden is dat hij gaat, omdat de Here zelf met hem praat en hem stuurt. Christus zorgt op deze manier ook voor Zijn kerk, zodat er eenheid en ruimte in Zijn kerk zal blijven.
Christus zal als Heer van Zijn kerk ervoor zorgen dat de juiste richting gewezen wordt. Zodat Zijn Woord duidelijk gehoord en zo ook gevolgd zal worden. Geen menselijke gevoelens, geen tradities (hoe goed die ook kunnen zijn) zijn beslissend, maar wat Christus ons leert en dat Zijn genade altijd geleerd en uitgeleefd zal worden.
Paulus kan in vertrouwen zijn prediking in Jeruzalem laten toetsen. De Geest zal het daar zo leiden dat er de goede uitkomst komt.
Lezen: Galaten 2:3-5
Wanneer je naar het Grieks kijkt waarin deze verzen geschreven zijn, merk je dat Paulus bij wat hij schrijft emotioneel sterk betrokken is. Het gaat hier om iets wat het leven als gelovige sterk raakt. We hebben al gezien dat een van de grote dingen was of je als christen ook de plicht hebt om jezelf of je kinderen te laten besnijden. Wanneer Paulus met de anderen uit Antiochië in Jeruzalem is, is ook Titus erbij. Een Griek. Niet besneden, maar wel iemand die in Christus als zijn Verlosser, God en Koning gelooft. De apostelen geven niet toe aan de druk vanuit de gemeente dat zij die in Christus gaan geloven ook besneden moeten worden.
Ze sluiten om de lieve vredeswil geen compromis! Het gaat hier om de vrijheid van Christus. Het gaat hier om de pure genade van God. Er mag niet gebonden worden boven waaraan Christus zelf ons bindt. In de kerkgeschiedenis is er meer dan eens het woord: boven Schriftuurlijke binden gebruikt.
Het is belangrijk om hier te zien dat de Geest Paulus hier sterke woorden laat gebruiken. Mensen die boven wat Christus ons in Gods Woord willen binden, hoe gelovig ze ook naar voren komen, worden door Paulus ‘valse broeders’ genoemd. Ze lijken broeders, maar in feite zijn ze geen echte familie, omdat ze niet leven van Gods genade.
Zij geloven en leven vanuit een Jezusplus-evangelie. Jezus is de Verlosser, maar je moet je ook aan allerlei gewoonten houden, want anders ben je geen echte gelovige. De Geest laat hier zien dat christenen door Christus vrij van de wet zijn als weg van verlossing. Zie hierbij o.a. Colossenzen 2:14 en Galaten 3:13.
Dit zijn geen vrijzinnige woorden! Geen modern gepraat en gedoe. Een christen is vrij van de wet. Juist omdat je Christus' werk ziet en alleen, echt helemaal alleen door Zijn werk gered bent, wil je volgens Gods wil leven. Volgens Zijn goede geboden. Daarom wil je een ander geen dingen opleggen die daarbovenuit gaan.
Het gaat hier echt om de kern van het evangelie, die niet aangetast mag worden. Hierbij is ook belangrijk wat de Here Jezus zegt in Mattheüs 5:17-20. De gerechtigheid van wie in Christus gelooft, moet meer zijn dan het leven van de Farizeeën volgens allerlei geboden. Dat is meer als het je om Christus gaat, om het leven met Hem als je Verlosser. Dan leg ik een ander nooit meer op dan dit. Dan wil je daarom zielsgraag volgens Gods echte geboden leven.
Daarom schrijft Paulus in vers 5: “Maar we zijn geen moment voor hen gezwicht, want de waarheid van het evangelie moest in uw belang behouden blijven.” De echtheid van het evangelie staat hierbij op het spel!
Hier zie je het verschil tussen het leven als slaaf of als vrij en bevrijd mens. Het gaat de Geest erom dat we in de vrijheid van Christus staan en ook de ander daarin laten staan. De wet die God geeft, is ook de wet van de vrijheid. Zie Exodus 20:1,2; Jakobus 1:19-27
Lezen: Galaten 2:6-10
Mensen kunnen aanzien hebben. Mensen kunnen dat juist vanuit het verleden hebben. Ze hebben zoveel betekend voor jou of voor de gemeente. In deze verzen wordt gesproken over mensen die als ‘steunpilaren' van de kerk gezien werden. Die steunpilaren mogen geen mensen worden waarop we ons geloof en leven bouwen. Met bouwen op mensen kom je altijd bedrogen uit. Ook steunpilaren kunnen verkeerd gaan. Dat zien we in het vervolg van dit hoofdstuk. De vraag is of het beslissend is wat bepaalde mensen zeggen en menen. We zien hier dat als het om de dingen gaat die Paulus genoemd heeft, het antwoord een heel duidelijk nee! is. God ziet de mens niet aan! Zie voor de HEERE als de God die niet handelt met ons met aanzien van de persoon o.a. Romeinen 2:1-11
Belangrijk is hier steeds weer dit wat de Here Jezus zegt: “Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus. Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn. En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.” Mattheüs 23:8-12
In de omstandigheden van Paulus is het zelfs zo dat de mensen in aanzien op dat moment in de kerk hem juist steunen en niet vermanen. Zij leggen Paulus en de gemeenten niet meer op dan wat de HEERE zelf zegt.
De andere apostelen weten dat Christus Paulus een speciale taak onder de heidenen gegeven heeft en Petrus een speciale taak om onder de Joden het evangelie van Christus te brengen. Zonder dat de j en een Joodse manier van leven aan de anderen in de kerk wordt opgelegd. Dat is Christus' werk! Dat is het werk van de Geest door deze twee mannen. Dat is niet in strijd met elkaar, omdat het in Christus samenkomt.
Die eenheid in Christus is ook duidelijk geworden. Toen er door de Geest overeenstemming was over het echte evangelie, gaven Jakobus (broer van de Here Jezus), Kefas (andere naam voor Petrus) en Johannes (de apostel) de hand aan Paulus en Barnabas. Dit is de hand van de gemeenschap. De hand die erop wijst dat je als broers en zussen in geloof één bent. Dat je dat ook steeds weer mag vieren. Zie Psalm 133. Zo werd voor iedereen duidelijk dat aan de Jood en de Griek hetzelfde evangelie gebracht werd. Dat zij aan niemand meer zouden opleggen dan dit. Dat zij die vooral onder de Joden werkten en zij die vooral onder de heidenen werkten.
Paulus is daarbij niet iemand die zich boven anderen verheft. Hij voelt zich niet meer en beter dan anderen. Zie bijvoorbeeld: 1 Korinthe 15:9; 2 Korinthe 11:5; 1 Timotheus 1:15.
De band aan elkaar, al is er een verschillende taal, een andere cultuur en ook op meerdere punten een andere manier van leven, moet er blijven. Juist in het helpen van elkaar als er gebrek en nood is. Zie hierbij o.a. Deuteronomium 15:7,8; Lukas 10:25-37; Handelingen 11:27-30; 1 Johannes 3:16,17
Lezen: Galaten 2:11-14
Het wordt in deze verzen heel concreet. Het was ook wel heel spannend. Wat was de situatie?
Om dat goed in te schatten, is het belangrijk om te bedenken hoe Petrus er principieel in stond. Christus had Petrus ervan overtuigd dat o.a. de wetten voor het wel of niet eten van rein of onrein vlees niet meer van kracht waren. Hij kon met een gerust hart naar niet-Joden gaan en met ze eten. De muur van allerlei wetten stond niet meer tussen de Joden en de heidenen. De heidenen hoefden om echt christen te zijn zich niet aan al die wetten te houden. Kijk maar in Handelingen 10.
Petrus wordt op deze dingen aangesproken en verdedigt zich dan heel duidelijk. Zie Handelingen 11:1-18. Ook tijdens de vergadering in Handelingen 15 spreekt Petrus zich hierover heel duidelijk uit: “En toen daarover een heftige woordenstrijd ontstond, stond Petrus op en zei tegen hen: Mannenbroeders, u weet dat God lang geleden onder ons mij uitgekozen heeft, zodat de heidenen uit mijn mond het woord van het Evangelie zouden horen, en zouden geloven. En God, de Kenner van de harten, heeft getuigenis aan hen gegeven door hun de Heilige Geest te geven, evenals aan ons; en Hij heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, en heeft hun hart door het geloof gereinigd. Welnu dan, waarom verzoekt u God door een juk op de hals van de discipelen te leggen dat onze vaderen en ook wij niet hebben kunnen dragen? Maar wij geloven door de genade van de Heere Jezus Christus op dezelfde wijze zalig te worden als ook zij.” vs 7-11 Zie hier ook Efeze 2:11-22
Petrus weet dus heel goed wat Gods weg is. Hij is ook niet tot andere gedachten gekomen. Wel is het zo dat als hij in Antiochië komt, de spanning in de gemeente hoog is. Er zijn joden-christenen die graag op zichzelf blijven. Zich niet mengen met de gelovigen uit de andere volken in de gemeente. Dan gaan Petrus en zelfs Barnabas toch om de zogenaamde vrede apart met volksgenoten eten. Op hun eigen manier. Dan ontstaat er toch een soort groepsvorming. De tradities lijken dan toch beslissend. Juist dan maakt Paulus door de leiding van de Geest dat dit niet kan. Dat het een heel verkeerd voorbeeld is. Groepsvorming rond bepaalde gedachten en bepaalde tradities waarbij anderen uitgesloten worden, is echt uit de Boze.
Petrus gedraagt zich zo alsof het lijkt dat hij er alles aan doet om maar niet door zijn volksgenoten als een vreemde persoon te worden gezien. Gevoel om bij een bepaalde groep te horen of acceptabel te zijn gaat boven wat Christus ons leert. De ruimte en vrijheid in Christus wordt dan niet op waarde geschat en daarom laat de Geest Paulus een heel duidelijk vermaan uitspreken.
We leren hier dat niet angst of het horen bij een bepaalde groep ons denken en handelen mag beheersen. We mogen anderen ook niet meer opleggen dan Christus ons in Gods Woord oplegt. Wat Christus ons oplegt, is juist wat goed is. Het is geen last. Zie Mattheüs 11:28-30.
Het evangelie van genade moet als het bevrijdende evangelie altijd onder ons functioneren. Wie dat wil inperken, is bezig om het evangelie van genade aan de kant te schuiven. Dat betekent niet dat we een loopje met Gods goede wet kunnen nemen. Daarop komen we terug bij de bespreking van hoofdstuk 3.
We leren hier ook dat niet alleen telt hoe we in ons hoofd geloven, maar dat ons gedrag ook een gedrag moet zijn dat het evangelie van genade uitstraalt.